Op 2 oktober 2026 presenteerde het kabinet nieuwe maatregelen voor mentale gezondheid en de ggz. Aanleiding zijn onder meer de lange wachtlijsten, personeelstekorten en de vraag hoe de beschikbare ggz-capaciteit beter kan worden ingezet voor mensen die specialistische zorg daadwerkelijk nodig hebben. Eén uitspraak uit de toelichting bleef bij mij hangen: niet iedere hulpvraag vraagt om behandeling in de ggz. Soms ligt een passende oplossing juist op school, op het werk, in de wijk of in de ondersteuning door mensen om iemand heen.
Dat uitgangspunt deel ik. Problemen rond eenzaamheid, schulden, wonen, school of werk kunnen grote invloed hebben op hoe iemand zich voelt, maar vragen niet automatisch om psychiatrische behandeling. Juist daar kunnen welzijnsorganisaties, vrijwilligersorganisaties, buurtteams en andere vormen van laagdrempelige ondersteuning een belangrijke rol spelen.
De beweging van zorg naar ondersteuning
Het kabinet legt in de plannen nadrukkelijk een verbinding tussen mentale gezondheid en de samenleving. Daarbij wordt onder meer gekeken naar samenwerking tussen zorg, gemeenten, werkgevers, scholen en maatschappelijke organisaties. Dat klinkt logisch, maar minder snel verwijzen naar de ggz kan alleen werken als er ergens anders daadwerkelijk passende ondersteuning beschikbaar is.
Het gaat dus niet alleen om de vraag of iemand wel of niet in de ggz thuishoort. Minstens zo belangrijk is de vervolgvraag: waar kan iemand dan wél terecht? Een huisarts kan bijvoorbeeld constateren dat klachten sterk samenhangen met schulden, eenzaamheid of problemen thuis. Daarmee is het probleem nog niet opgelost. Er moet vervolgens een verbinding zijn met een organisatie of professional die daar iets mee kan en die ook daadwerkelijk capaciteit heeft.
Preventie vraagt om goede verbindingen
Daarmee komt ook preventie in beeld. Problemen staan zelden volledig los van elkaar. Financiële zorgen kunnen stress veroorzaken, problemen op het werk kunnen doorwerken in het gezin en eenzaamheid kan bestaande klachten versterken. Vroegtijdige, praktische ondersteuning kan voorkomen dat problemen verder oplopen.
Dat hoeft niet altijd professionele zorg te zijn. Vrijwilligers, sociaal werkers, buurtteams en andere lokale organisaties kunnen juist op dat punt van betekenis zijn. Maar als we van deze organisaties verwachten dat zij een groter deel van die ondersteuning op zich nemen, moet ook worden gekeken naar de randvoorwaarden. Hebben zij voldoende capaciteit? Is de financiering structureel genoeg? Weten zorgverleners welke ondersteuning lokaal beschikbaar is en zijn de verbindingen tussen zorg en sociaal domein goed georganiseerd?
Het risico van alleen verschuiven
Wanneer iemand niet naar de ggz wordt verwezen, verdwijnt de hulpvraag niet. Die komt ergens anders terecht: bij de huisarts, de gemeente, het buurtteam, een welzijnsorganisatie, een school of misschien bij een vrijwilliger. Dat kan precies de juiste plek zijn, maar alleen wanneer die organisatie de vraag ook daadwerkelijk kan opvangen.
Anders bestaat het risico dat we vooral de toegang tot de ggz veranderen, terwijl de achterliggende problemen blijven bestaan. De druk verdwijnt dan niet noodzakelijk, maar verschuift naar een ander onderdeel van het systeem. Juist daarom is de verbinding tussen zorg en sociaal domein zo belangrijk: weten organisaties elkaar te vinden, kunnen ze mensen daadwerkelijk overdragen en is duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is?
De bestuurlijke vraag
De gedachte dat niet iedere hulpvraag in de ggz thuishoort, lijkt mij daarom een logisch uitgangspunt. Specialistische ggz-capaciteit is schaars en moet beschikbaar zijn voor mensen die die zorg nodig hebben. Maar daarmee begint eigenlijk pas de volgende opgave.
Als een deel van de oplossing buiten de ggz ligt, moeten we ook serieus kijken naar de organisaties die daar actief zijn: naar hun rol, capaciteit, financiering en naar de samenwerking tussen zorg, welzijn, gemeenten, onderwijs en andere partijen. De interessante bestuurlijke vraag is daarom niet alleen hoe we de druk op de ggz verminderen, maar vooral: organiseren en financieren we deze beweging ook daadwerkelijk, of verplaatsen we vooral de plek waar iemand aanklopt?
