Vanochtend heb ik tijdens de bestuursvergadering van Humanitas Veendam-Pekela de portefeuille jeugd op me genomen. Een mooie verantwoordelijkheid, maar voor mij begint die niet met de vraag welk project of programma we kunnen starten. De eerste vraag is veel eenvoudiger: waar hebben jongeren in Veendam en Pekela daadwerkelijk behoefte aan, en waar kan Humanitas iets toevoegen aan wat er al is?
Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar in de praktijk is het verleidelijk om vanuit bestaand aanbod te denken. Een organisatie heeft programma’s, kennis en ervaring en kijkt vervolgens waar die lokaal kunnen worden ingezet. Dat kan werken, maar het risico bestaat ook dat het aanbod leidend wordt terwijl de lokale behoefte ergens anders ligt.
Eerst kijken wat er al is
Voordat je iets nieuws begint, moet je daarom eerst begrijpen hoe het lokale speelveld eruitziet. Welke voorzieningen zijn er al voor jongeren? Welke organisaties zijn actief? Welke signalen horen scholen, gemeenten, jongerenwerk en andere partijen? En minstens zo belangrijk: waar ervaren jongeren zelf knelpunten?
Pas wanneer dat beeld voldoende duidelijk is, kun je beoordelen of er daadwerkelijk een gat bestaat waar een organisatie als Humanitas iets kan toevoegen. Soms betekent dat een nieuw initiatief. Maar het kan net zo goed betekenen dat een bestaande voorziening versterkt moet worden, dat organisaties elkaar beter moeten vinden of dat er helemaal geen behoefte is aan nóg een nieuw project.
Dat laatste vind ik ook belangrijk. Maatschappelijke organisaties hoeven niet overal iets van te vinden of voor ieder probleem nieuw aanbod te ontwikkelen. Toegevoegde waarde ontstaat juist wanneer duidelijk is welke behoefte er bestaat én waarom jouw organisatie daar iets kan betekenen wat nog niet of onvoldoende gebeurt.
Niet beginnen bij het programma
Juist bij jeugd lijkt mij dat extra relevant. Jongeren vormen geen homogene groep en hun behoeften verschillen per omgeving, leeftijd en situatie. Wat in de ene gemeente goed werkt, hoeft daarom niet automatisch de oplossing te zijn voor een andere gemeente.
Daarom wil ik niet beginnen bij de vraag welk bestaand Humanitas-programma we naar Veendam of Pekela kunnen halen. Eerst wil ik beter begrijpen wat er lokaal speelt. Daarna kunnen we bekijken of bestaand aanbod daarop aansluit, aangepast moet worden of dat samenwerking met andere partijen logischer is.
Voor mij is dat ook een bredere bestuurlijke les. Begin niet met wat je als organisatie kunt aanbieden, maar met het probleem dat je probeert op te lossen. Pas daarna komt de vraag welke rol je daar zelf in hebt.
Dat voorkomt dat een organisatie vooral bezig is haar eigen aanbod uit te breiden en vergroot de kans dat tijd, vrijwilligers en middelen terechtkomen op een plek waar ze daadwerkelijk iets toevoegen.
